De invloed van het Romeinse recht op het hedendaagse Nederlands recht

Inleiding

Het Romeinse recht bevat de eerste codificatie van rechtsregels in de Europese rechtsgeschiedenis. Al in 451 voor Christus werd de Twaalftafelenwet gemaakt, waarin voornamelijk civiele wetten en gewoonterecht werd opgeschreven[1]. Het Romeinse recht heeft veel te danken aan de Twaalftafelenwet. Tussen 529 en 534 liet keizer Justinianus I het Corpus Iuris Civilis, de Digesta en de Instituten maken door rechtsgeleerden[2]. Hoe is het mogelijk dat oude Romeinse regels in een moderne variant door geheel Europa gebruikt worden? Gedurende de menselijke geschiedenis zijn er veel rechtsregels gemaakt en vergaan, waardoor het bijzonder lijkt dat het oude Romeinse recht nog steeds (op een aangepaste, moderne wijze) in moderne (burgerlijke) wetboeken terug te vinden is. In dit paper zal aan de hand van de volgende vragen beschreven worden hoe het Romeinse recht het moderne recht heeft beïnvloed.

Hoofdvraag:
Waarom is het recht ten tijde van de Romeinen gecodificeerd en wat heeft die codificatie voor het huidige recht betekend?

Deelvragen:
Welke rechtsregels werden gecodificeerd ten tijde van de Romeinen en waarom werd er gecodificeerd?

Hoe en waarom werd het Romeinse recht overgeleverd in de eeuwen na de Grieken en Romeinen?

Waarom heeft het Romeinse recht invloed op het huidige Nederlandse recht en op welke rechtsgebieden?


In paragraaf 1 zal de totstandkoming van de codificatie van het Romeinse recht behandeld worden. Er zijn meerdere redenen denkbaar voor het codificeren van rechtsregels. Tegenwoordig heeft codificatie in vrijwel elk land plaats gevonden, waardoor het belangrijk is om te weten waarom rechtsregels gecodificeerd worden. Vervolgens zal in paragraaf 2 besproken worden hoe het Romeinse recht overgeleverd is. Op de universiteiten in de middeleeuwen was het Romeinse recht een onderdeel van de studie. De vraag is waarom Romeins recht zo’n belangrijke rol had. Daarna zal in paragraaf 3 gekeken worden naar een aantal begrippen en leerstukken die het Nederlands recht aan het Romeinse recht heeft te danken. In paragraaf 4 zal de hoofdvraag worden beantwoord, waarna in paragraaf 5 een conclusie op basis van het voorgaande wordt gegeven.

  1. De totstandkoming van gecodificeerd Romeins recht

Bij de Romeinen was het archaïsche Romeinse recht in de Vroege Republiek verbonden met religie. De kern was ontleend aan de traditionele zeden en gewoonten, dat was overgeërfd van de voorouders (mos maiorum)[3]. Aan het begin van de Republiek werd er een onderscheid gemaakt tussen fas en ius, waarbij de regels van het fas werden beheerst door de relatie tussen mensen en goden. De regels van het ius werden beheerst door de verhoudingen tussen Romeinse burgers onderling[4]. De algemene regels hadden als doel om conflicten op te lossen, waarmee de vrede binnen Rome moest worden gegarandeerd[5]. Eigenrichting werd voorkomen door de mogelijkheid om het geschil aan een rechtbank van gewone burgers voor te leggen, waar een boete (poena) kon worden geëist[6].

Het Romeinse recht werd door Romeinse juristen het ius civile genoemd. De Twaalftafelenwet werd door een commissie van tien man vastgesteld (de decemviri legibus scribundis). In 450 voor Christus werd de wet afgekondigd. In de Twaalftafelenwet werd een aanzienlijk deel van het recht opgetekend, bestaande uit zowel gewoonterecht als eerder bestaande wetten. De Twaalftafelenwet bevatte voornamelijk rechtsregels aangaande privaatrecht, procesrecht en strafrecht. De wet nam grotendeels ongewijzigd het ius civile over, afgezien van enkele wijzigingen. De kern van de wet bestond dus uit ius civile, het recht tussen burgers onderling[7].

Ongeveer 900 jaar na de invoering van de Twaalftafelenwet wilde de Oost-Romeinse keizer Justinianus het Romeinse recht verder ordenen. Hiertoe gaf hij in 528 na Christus de opdracht aan een commissie om een nieuw samenstel van keizerlijke wetten aan te leggen. De Codex Justinianus werd in 529 uitgevaardigd en werd vijf jaar later alweer vervangen. In 533 werden de Digesta uitgevaardigd, een boek waarin geselecteerde passages uit werken van rechtsgeleerden wettelijk gezag kregen. In hetzelfde jaar 533 werden de Instituten gemaakt, een inleidend leerboek over het Romeins recht dat was geschikt voor onderwijs. Sinds 530 werden vele nieuwe wetten uitgevaardigd, waardoor in 534 een nieuwe Codex werd vastgesteld. De wetten na 535 werden Novellen genoemd en deze wetten waren ook belangrijk in het Romeinse recht. Het werk van Justinianus kan als een van de eerste codificaties worden gezien, waarin werd gestreefd naar volledigheid en exclusiviteit. In de 16e eeuw kreeg de codificatie als naam Corpus Iuris Civilis. Tot de verzameling  (Corpus) behoorden de Instituten, Digesten, Codex en Novellen[8].

In het Romeinse recht werd voornamelijk burgerlijk recht vastgelegd. Het procesrecht en strafrecht waren ook enigszins belangrijk, het staatsrecht lijkt minder belangrijk dan tegenwoordig het geval is. In bijvoorbeeld de Digesten werd voornamelijk burgerlijk recht beschreven, waardoor het staatsrecht relatief gezien minder aandacht kreeg. Bovendien is de inrichting van het Romeinse rijk anders dan in veel moderne staten, aangezien aan het hoofd van het rijk een keizer stond.

Veel moderne westerse landen hebben een democratie waarin de rol van de Staat relatief groot is. De belangrijkste redenen voor codificatie van het Romeinse recht hebben als doel om vrede te waarborgen, bestaande rechtsregels duidelijk vast te leggen en eenheid binnen het Romeinse rijk te creëren.  

  1. Het voortbestaan van Romeins recht

De universiteit van Bologna is de eerste in Europa waar juridisch onderwijs werd gegeven. De universiteit heeft veel invloed gehad op de ontwikkeling van het recht in Europa. De oprichtingsdatum is waarschijnlijk 1088, inmiddels bestaat de universiteit dus al bijna 1000 jaar. De wetgeving van Justinianus werd in 554 geïntroduceerd, maar raakte in 568 in grote gedeeltes van Italië in onbruik door een inval van de Longobarden. Het Romeinse recht verloor hiermee grotendeels zijn waarde in het oude (niet meer bestaande) West-Romeinse Rijk tot het einde van de 11e eeuw. De Codex en Instituten hadden nog enige bekendheid, maar de Digesten raakten in de vergetelheid. In het Byzantijnse Rijk had de Codex Justinianus nog wel enige waarde, omdat dit Rijk nog lange tijd bleef bestaan. Irnerius was oprichter van de school van glossatoren, dat mede aan het begin stond van de Universiteit van Bologna. Hiermee heeft Irnerius dus een belangrijke rol gespeeld in de (wetenschappelijke) bestudering van het recht. In de Codex Florentinus was het enige overgebleven exemplaar van de Digesten bewaard gebleven. Irnerius en zijn opvolgers gaven verklaringen (glossa) voor de bewoordingen van Digesten, waardoor ze glossatoren werden genoemd. Het Corpus Iuris Civilis telde ruim 2000 pagina’s, waardoor de glossen duidelijkheid boden aan de gebruikers van het wetboek. De hoogleraar Odofredus maakt een standaardeditie van de tekstuitleg ten aanzien van de Corpus Iuris Civilis, wat het Glossa Ordinaria werd genoemd. Studenten van over de hele wereld, voornamelijk degenen (vaak mensen uit de katholieke gemeenschap en welgestelden) uit West-Europa die Latijn beheersten, vertrokken naar Bologna voor het juridische onderwijs[9].

Het ontstaan van de universiteit eind 11e eeuw en begin 12e eeuw zorgde voor een onderscheid met andere scholen, omdat er ‘’hoger’’ onderwijs werd gegeven: theologie, kerkelijk recht, Romeins recht of geneeskunde. In de loop van de 12e en 13e eeuw werden er steeds meer universiteiten gesticht, onder meer in Italië (bijvoorbeeld in Napels en Padua), Engeland (bijvoorbeeld in Oxford en Cambridge), Spanje (bijvoorbeeld in Huesca en Salamanca) en Frankrijk (bijvoorbeeld in Montpellier en Orleans). Ook in andere landen werd gedurende de middeleeuwen een universiteit gesticht. In 1348 werd de universiteit van Praag gesticht door Karel IV, in 1388 kwam er een universiteit in Keulen. In 1425 werd in Leuven een universiteit gesticht en in 1575 werd in Leiden een universiteit gesticht. In de Middeleeuwen werd voornamelijk het Ius Commune bestudeerd, het gemeenschappelijk recht. Het Romeinse recht en het kerkelijke recht hadden belangrijke invloed op het recht dat in de middeleeuwen werd bestudeerd en toegepast. Het natuurrecht had ook een rol in de bestudering van het recht, maar de invloed was relatief gezien minder dan het Romeinse recht en canonieke recht[10].

De invloed van het Romeinse recht bestond voornamelijk in het bestuderen van de teksten van het Romeinse recht aan de universiteiten. Bovendien vormden privaatrechtelijke Romeinse rechtsbegrippen een basis voor de wetgeving dat in West-Europese landen werd uitgevaardigd. Het Romeinse recht werd niet exact gekopieerd in wetgeving van de westerse landen in de middeleeuwen, maar de rechtsstelsels werden wel beïnvloed door het Romeinse recht.

Het Romeinse recht werd derhalve voornamelijk overgedragen via de universiteiten die gedurende de Middeleeuwen zijn gesticht. In vrijwel geheel Europa werden de teksten van het Corpus Iuris Civilis bestudeerd. Door de verspreiding van kennis naar andere landen in voornamelijk West-Europa werd het Romeinse recht weer belangrijk. Voornamelijk privaatrechtelijke begrippen werden gebruikt in rechtsstelsels van westerse landen in de middeleeuwen en de moderne tijd. Door samenloop van gunstige omstandigheden werd na ruim 500 jaar (tussen 568 en 1088) het Romeinse recht herontdekt, waardoor dat recht tegenwoordig nog steeds waarde heeft. De reden voor het overleveren van het Romeinse recht is moeilijk precies te achterhalen, maar de interesse van Irnerius en de stichting van de universiteit van Bologna speelden een belangrijke rol.

  1. Invloed van het Romeinse recht op het huidige Nederlandse recht

Het gecodificeerde Romeinse recht is zoals eerder beschreven zo’n 1500 jaar oud. Door de bestudering op de universiteiten in de middeleeuwen van dit Romeinse recht is een gedeelte nog steeds van waarde voor ons huidige wetgeving. In de Corpus Iuris Civilis is voornamelijk civiel recht vastgelegd, waardoor met name het Nederlandse Burgerlijke Wetboek (BW) en het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (RV) zijn beïnvloed.

Er zijn vele voorbeelden te noemen van leerstukken die het Nederlandse BW te danken heeft aan het Romeinse recht: handelingsbekwaamheid, absolute rechten, eigendom, eigendomsverkrijging, bezit, houderschap, geldige titel, beschikkingsbevoegdheid, beperkte genotsrechten, beperkte zekerheidsrechten, verbintenissen, niet-nakoming van een verbintenis, bronnen van verbintenissen, overeenkomsten, erfrecht, procesrecht en personen-en familierecht[11].

De genoemde leerstukken hebben een basis in het Romeinse recht. Een voorbeeld daarvan is de eigendomsoverdracht ex artikel 3:83 en 3:84 BW. Vereisten voor eigendomsoverdracht zijn: het moet gaan om een overdraagbaar goed (zoals een boek), er moet een geldige titel zijn (zoals een koopovereenkomst), er moet een beschikkingsbevoegde vervreemder zijn (degene die een goed levert, moet eigenaar ervan zijn) en er moet een leveringshandeling plaatsvinden (het geven van een boek aan iemand anders, dus overdragen van bezit). Zodra een onbevoegde eigenaar een goed levert aan een ander, dan kan de eigenlijke eigenaar een actie instellen, namelijk de revindicatie.

Het leerstuk van eigendom is een voorbeeld van een Romeinsrechtelijk begrip dat in het Nederlands recht een belangrijke rol heeft in het overdragen van eigendom.[12] De terminologie van het Romeinse recht is dus op aangepaste wijze dus nog steeds zichtbaar in het Nederlands recht.

Het is in verband met de beperkte ruimte van dit paper niet mogelijk om op alle begrippen in te gaan. Uit de opsomming blijkt echter dat een groot gedeelte van het BW beïnvloed is door het Romeinse recht. Er zijn uiteraard aanpassingen gedaan aan de oorspronkelijke begrippen, maar toch heeft het Romeinse recht veel Burgerlijke Wetboeken in West-Europa gevormd. Het canonieke recht en het natuurrecht hebben ook invloed gehad op de rechtsvorming in onder meer Nederland, maar de invloed hiervan is beperkter dan het Romeinse recht. Doordat de universiteiten van bijvoorbeeld Leiden en Groningen al vele eeuwen bestaan, heeft het recht in Nederland zich goed kunnen ontwikkelen.

  1. Redenen voor codificatie en betekenis daarvan

In het Romeinse rijk waren er zoals eerder beschreven een aantal redenen om rechtsregels te codificeren: het waarborgen van vrede, het duidelijk vastleggen van bestaande rechtsregels en eenheid creëren binnen het Romeinse rijk. Deze redenen lijken nog steeds van belang in de huidige maatschappij. Als er geen wetten zouden bestaan, dan zou er in de maatschappij  waarschijnlijk een archaïsche situatie bestaan. Het gevolg is dan dat de het recht van de sterkste zou gelden: degene met de meeste macht kan namelijk de regels bepalen. In de loop van de geschiedenis is bovendien gebleken dat vrijwel elke leider van een groot rijk probeert om voor iedereen binnen dat rijk regels op te stellen. Napoleon voerde in zijn machtsperiode de Code Napoleon in, een wetboek dat voor Nederland gold. Dit wetboek was echter maar een korte periode van werking.

Codificatie is dus nuttig in elke maatschappij waarbij veel mensen samen leven. Zonder wetten zou de maatschappij een onoverzichtelijke chaos worden waarin machthebbers zichzelf zullen bevoordelen. Gelukkig zijn er in Nederland genoeg wetten, waarmee de maatschappij een stuk overzichtelijker wordt gemaakt. Het is lastig in te denken hoe het huidige Nederlandse recht eruit zou zijn als het Romeinse recht er niet was geweest. Wellicht waren het canonieke recht en het natuurrecht dan belangrijker geweest. Dit is echter giswerk. Duidelijk is wel dat zonder het Romeinse recht een heel ander Burgerlijk Wetboek was ontstaan.

De Europese Unie heeft tegenwoordig veel invloed op het rechtssysteem van aaneengesloten landen. Er is sprake van doorwerking van Europese richtlijnen en verordeningen in het (Nederlandse) recht. Doordat de rechtsstelsels van westerse landen veelal een gemeenschappelijke achtergrond hebben, is het niet geheel onlogisch om ook op andere rechtsgebieden dan het burgerlijk recht verdergaande integratie van rechtssystemen te ontwikkelen. Gezien de Brexit en het opkomende populisme lijkt niet iedereen het eens met de verdere integratie van de landen in de Europese Unie.

Een interessante vraag is wat er gebeurt zou zijn als het Romeinse recht op het gebied van staatsrecht, bestuursrecht en strafrecht meer invloed zou hebben. Wellicht zouden de rechtsstelsels dan nog meer op elkaar lijken en de eenheid binnen de Europese Unie zou dan wellicht groter zijn. Doordat het Romeinse recht vooral privaatrechtelijke leerstukken heeft beïnvloed, is het moeilijk te bepalen wat er gebeurd zou zijn als de invloed op andere rechtsgebieden groter zou zijn geweest.

  1. Conclusie

Het is opvallend dat het Romeinse recht in veel Europese rechtsstelsels zo’n grote invloed heeft, ook al zijn er vele eeuwen verstreken sinds het Corpus Iuris Civilis is gemaakt. Bij nader inzien is de invloed echter logisch, gelet op de verspreiding van het onderwerp Romeins recht over de universiteiten in vrijwel alle West-Europese landen. Het Engelse rechtsstelsel met het common law is vergeleken met andere rechtsstelsel in het westen behoorlijk afwijkend. De Angelsaksische landen gebruiken een ander rechtssysteem dan de continentale westerse landen. Bij vergelijking van het Nederlandse burgerlijke recht met het burgerlijke recht uit andere westerse landen zal waarschijnlijk opvallen dat er overeenkomsten te ontdekken zijn. Bezien vanuit de beschreven achtergrond in dit paper is dat echter goed te begrijpen.

Eenheid van wetgeving is in grote Rijken een nuttig middel om de eenheid te bevorderen. Keizer Justinianus probeerde dat via de Codex Justinianus, Hitler deed dat door middel van Jodenwetten en de Europese Unie probeert dat door middel van richtlijnen en verordeningen. Het lijkt erop alsof volkeren de wetgeving niet altijd als legitiem zien, aangezien de wetten zijn gemaakt door iemand of iets dat ver weg is. De Europese Unie lijkt voor veel mensen een instituut dat ver af staat van het dagelijks leven. De regels die worden opgelegd, worden derhalve niet automatisch geaccepteerd.

Het Romeinse recht heeft de Nederlandse wetgeving op met name privaatrechtelijk gebied beïnvloed, doordat leerstukken lange tijd bestudeerd zijn en een rol hadden in de rechtsstelsels van vroegere westerse landen. Doordat in de middeleeuwen het Romeinse recht relatief belangrijk was, heeft dat ervoor kunnen zorgen dat de grondleggers van het BW beïnvloed zijn door het Romeins recht.

Al met al kan worden geconcludeerd dat het Romeinse recht een blijvende invloed heeft achtergelaten in de menselijke geschiedenis. Het Nederlandse recht kan dankbaar zijn voor het werk dat is verricht door keizer Justinianus en de rechtsgeleerden in zijn tijd en in latere tijden.

[1] Randall Lessafer. Inleiding tot de Europese rechtsgeschiedenis, p. 60.

[2] Randall Lessafer. Inleiding tot de Europese rechtsgeschiedenis, pp. 98-101.

[3] Randall Lessafer. Inleiding tot de Europese rechtsgeschiedenis, p. 58.

[4] Idem

[5] Randall Lessafer. Inleiding tot de Europese rechtsgeschiedenis, p. 59.

[6] Idem

[7] Deze alinea is ontleend aan Randall Lessafer. Inleiding tot de Europese rechtsgeschiedenis, pp. 60-61.

[8] Deze alinea is ontleend aan Randall Lessafer. Inleiding tot de Europese rechtsgeschiedenis, pp. 98-102.

[9] Deze alinea is ontleend aan de tekst van Jan Lokin jr. Bologna: Alma Mater Studiorum. Ars Aequi november 2015, pagina’s 856-857.

[10] Deze alinea is ontleend aan Randall Lessafer. Inleiding tot de Europese rechtsgeschiedenis, pp. 126-144.

[11] De genoemde onderwerpen zijn nader beschreven in J.H.A. Lokin, bewerkt door F. Brandsma. Prota – Vermogensrechtelijke leerstukken aan de hand van Romeinsrechtelijke teksten.

[12] De genoemde onderwerpen zijn nader beschreven in J.H.A. Lokin, bewerkt door F. Brandsma. Prota – Vermogensrechtelijke leerstukken aan de hand van Romeinsrechtelijke teksten, pagina 110.

Plaats een reactie

4 + zes =